Een overtreding van artikel 13 van de ordonnantie op het recht van het klein zegel op voorwerpen van handel en weelde in 1806

Nederland

Op 2 december 1805 verscheen naast de ordonnantie voor kleinzegels op de patenten een 26 artikelen tellende ordonnantie betreffende het zegelrecht die de invoering van het klein zegel op ‘voorwerpen van handel en weelde’ ofwel luxeartikelen op 1 januari 1806 aankondigde. Deze luxeartikelen waren heel divers van aard. Het betrof onder meer hoeden, handschoenen, kousen, pantalons en vesten, pendules en diverse soorten horloges, parfums en confituren, plated werken, speelkaarten, almanakken, nieuwspapieren en andere gedrukte werken. 

De kopers van luxeartikelen betaalden naast de koopprijs een belastingbedrag waarvan de hoogte in een ruitvormig zegel stond. In het zegel stonden de Bataafse leeuw, het jaar 1806 en de waarde van het zegel. Artikel 6 van de ordonnantie schreef over het bevestigen van het zegel aan het artikel het volgende.

De aanhechting, aan- of opplakking der voorschreve gezegelde papieren, zal geschieden door, ten overstaan of met voorkennis van zoodanige ambtenaren of gequalificeerde personen, mitsgaders op zoodanige tijden en plaatsen, als daartoe in elke gemeente, door ofte van wege het gouvernement zullen worden aangewezen; zullende daarbij het meeste gerijf der ingezetenen in het algemeen en der kooplieden, winkeliers en kramers in het bijzonder, worden in acht genomen.

Kennelijk leverde de bevestiging problemen op, want in 1807 werd uitgebreid beschreven hoe dit aangepakt moest worden. De uiteinden van een draad dat aan het artikel was vastgemaakt werden op een met specie (plaksel) ingesmeerd stukje gezegeld papier gelegd waarna het papier werd dubbelgevouwen. Was dat niet mogelijk dan werd het zegel op het artikel geplakt.

Een vel klein zegels voor voorwerpen van handel en weelde van de Bataafse Republiek van drie stuivers, mogelijk de helft van een vel met 24 zegels (Belasting & Douanemuseum).

De zegels werden op grote vellen papier gedrukt. In De geschiedenis van het Nederlands fiscaalzegel van Van der Poel staat op pagina 159 een foto van een vel met 24 zegels. De zegels met de Bataafse leeuw en het jaar 1806 zijn tot en met 1810 gebruikt.

Dit klein zegel voor voorwerpen van handel en weelde van de Bataafse Republiek van twee stuivers is uitgeknipt en in een almanak geplakt (collectie Overwater).
Een ongebruikt klein zegel voor voorwerpen van handel en weelde van de Bataafse Republiek van tien stuivers op een dubbelgevouwen stukje papier (Drents Archief).

In juli 1806 werd geconstateerd dat het toezicht op de naleving van de ordonnatie te wensen over liet. Eén geval van al dan niet bewuste ontduiking van de ordonnantie is die van de Meppelse horlogemaker Elias Samuel van Geens (1775-1858) die in 1806 enige ongezegelde horloges verkocht. Voor de verkoop op 24 juni van een gebruikt ‘zilveren zak horologie‘ van vijftien gulden aan turftrekker Harm Slaghuis is hij gedagvaard.

A de Ed: Heer Fiscaal Blom
Mijnheer
ik hebbe van daag aan een uijt de graafschap mijn orlogie verkogt onweetent dat ik daar een zegel van behoeve te hebben Zo hoope de Ed: Fiscaal zulkes zal beoordelen dat daar meede niets gefoudeert zal hebben ik hebbe het orlogie verkogt voor vijftien guldens – om dat de eer niet kan hebben uEd. van daag zelfs te spreeken zo neem met dezen de vryheid door myn handschrijven daar van kennis te geven ES van Geens

Document A, een van de stukken die betreffende het proces tegen van Elias Samuel van Geens. Van Geens richtte het verzoekschrift aan de advocaat fiscaal Mr. Joost Blom om hem van zijn onschuld te overtuigen. Toen hij het horloge aan Harm Slaghuis verkocht wist hij niet dat dat gezegeld moest zijn, hij had dus niet gefraudeerd. De onbeholpen handtekening van Van Geens verraadt dat iemand anders het verzoek voor hem schreef (Drents Archief).

Van Geens had Slaghuis voor een horlogeketting verwezen naar de, eveneens Meppelse, zilversmid Jan Tiemens Holleboer (1763/4-1823) die ook chercher (belastingcontroleur) was. Die meldde dezelfde dag per brief aan de advocaat fiscaal van de ‘Middelen te Lande in het Landschap Drenthe’ Mr. Joost Blom dat Van Geens een ongezegeld horloge had verkocht. Ook Van Geens schreef Blom die dag een brief waarin hij uitlegde dat hij niet wist dat het betreffende horloge gezegeld had moeten zijn. Eind juli overhandigde Holleboer, dit keer in de hoedanigheid van deurwaarder, Van Geens een document waarin hij gesommeerd werd op 13 augustus bij de Raad van Financiën in Assen te verschijnen.

De ontvanger van de onbeschreven middelen in Meppel Abraham Kiers liet Van Geens, vermoedelijk half augustus, ondervragen. Advocaat fiscaal Mr. Isaac Collard uit Havelte rapporteerde Van Geens versie van het gebeurde aan de Raad van Financiën van het Landschap Drenthe. De horlogemaker vertelde dat hij destijds, dus in een periode waarin hij wel horloges verkocht, nog geen zegels op de voorwerpen van handel en weelde had aangeschaft.

Van Geens ontkende een fraudeur te zijn, zijn argumenten om dit aan te tonen waren divers. Zo zou hij geen financieel voordeel hebben bij de verkoop van ongezegelde horloges omdat de klant de belasting betaalde. Zijn vader, Samuel Levy van Geens, had het horloge verkocht. Wel had hij het horloge zelf nog even nagekeken en de koper een briefje gegeven waarin hij schreef dat hij garant stond voor de werking ervan voor een bepaalde tijd. Maar hij realiseerde zich niet dat ook een gebruikt horloge van minder dan twintig gulden gezegeld diende te zijn. Had hij dat wel geweten dan had hij Slaghuis natuurlijk niet naar cherger Holleboer gestuurd. Hiermee had hij nota bene de belastingontduiking zelf aangegeven. Als dat geen bewijs van onschuld was! Dat laatste klinkt plausibel, maar het lijkt toch echt onwaarschijnlijk dat Van Geens niet wist dat een gebruikt horloge van 15 gulden gezegeld moest zijn, dat stond gewoon in artikel 13 van de ordonnantie.

ZAK-HORLOGIEN, PENDULES, STAANDE HORLOGIEN, TAFEL-HORLOGIEN ENZ.

Aan alle zak-horlogiën, zoo oude als nieuwe, het zij koper, compositie, zilver, goud of van welke andere specie of metaal gemaakt of te zamen gesteld, zoo mede pendules, staande horologiën, tafel-horologiën, en alle andere horologiën, geene uitgezondert, dan de zoogenaamde Vriesche hangklokken, mitsgaders de houte klokken, koekoeken en soortgelijken, beneden de twaalf guldens verkocht wordende.

Te koop zijnde voor of beneden de f 20, zal daar aan moeten zijn gehecht een zegel van f 1: 0: 0 (…)

Mr. Blom was dan ook niet overtuigd. Hij wierp tegen dat het Land nu een gulden was misgelopen en Van Geens andere horlogeverkopers valse concurrentie had aangedaan en liet op 25 augustus de Raad van Financien van het Landschap Drenthe weten dat hij geen aanleiding zag om af te zien van de boete. De straf was volgens artikel 2 van de ordonnantie verbeurdverklaring van het horloge en een boete van 50 gulden omdat het (officieel) Van Geens eerste overtreding was. Een derde deel van de boete was voor Holleboer omdat hij aangifte deed van de ontduiking (artikel 25 van de ordonnantie). Overigens was volgens artikel 3 Slaghuis eveneens in overtreding. De koper van een ten onrechte ongezegeld artikel verdiende een boete van vijftig gulden.

Advocaat fiscaal Isaac Collard rapporteerde de Raad van Financien van het Landschap Drenthe over Van Geens relaas (Drents Museum).

Verder nog over het ‘zegel op voorwerpen van handel en weelde’
(Door Fons Overwater)

De wettelijke basis voor het zegel is de “Ordonnantie, Volgens welke binnen de Bataafsche Republiek zal worden geheven het regt van het klein zegel, op eenige voorwerpen van handel en weelde”, gearresteerd op 2 december 1805 en gepubliceerd op 13 december 1805.

De datum van inwerkingtreding was bepaald op 1 januari 1806. De Bataafsche Republiek werd echter met de oprichting van het Koninkrijk Holland onder Lodewijk Napoleon per 5 juni 1806 opgeheven. De ordonnantie van 2 december 1805 werd onder het Koninkrijk Holland wel voortgezet. Na de annexatie van het Koninkrijk Holland op 9 juli 1810 door keizer Napoleon Bonaparte behoorde ons gebiedsdeel tot het Franse keizerrijk en werd het zegel per 31 december 1810 afgeschaft, om per 1 januari 1811 plaats te maken voor de keizerlijke (Franse) belastingwetten. Het zegel heeft dus bestaan van 1 januari 1806 tot en met 31 december 1810 en heeft gewerkt onder drie regimes, te weten de Bataafsche Republiek, het Koninkrijk Holland en het Franse Keizerrijk.

De belasting kon worden voldaan middels het aanbrengen van zegels of op verzoek en onder voorwaarden soms via stempeling. Het meest bijzonder aan het zegel is dat het het allereerste plakzegel ter wereld was, en dus als de moeder aller plakzegels moet worden gezien, waaronder niet alleen de fiscale plakzegels maar natuurlijk ook de later daaruit ontstane postzegels. Weliswaar had dit zegel nog geen perforatie en geen gom, maar de wijze waarop er mee omgegaan moest worden, te weten zelf uitknippen en van lijm voorzien, maakte wel de weg vrij voor de latere aanvullende innovaties van perforatie en het vooraf aanbrengen van gom. Kortom, een verzamelissue dat in geen collectie van fiscale zegels mag ontbreken!

Voor vergelijkbare artikelen van Jantine Bloemhof, zie https://www.historischvertier.nl/zegelrecht-en-klein-zegel/

Tagged

Geef een antwoord